Bekende Wiarda's

Sjoerd Wiarda

(1355-1410)

Sjoerd Pijbes Wiarda was de vijftiende potestaat van Friesland. Hij woonde op Wiarda-state te Goutum. Hij was de laatste potestaat die zowel over Oostergo als Westergo heerste. Sjoerd was de aanvoerder in de strijd tegen de graaf van Holland. In 1398 was hij gedeputeerde bij het verdrag met Willem van Beijeren, Graaf van Holland. In 1400 vocht hij mee als Schieringer in de slag om Dokkum.

1398 - In dit jaar waren de Vetkopers bondgenoten van de Hollandse graaf Albrecht, die in 1396 een inval in Friesland had gedaan. De leiders Gerrit van Cammingha en Feye van Heemstra werden beleend met respectievelijk Leeuwarden en de Leppa en de helft van Dongeradeel. Het volgende jaar vielen de Schieringers aan, onder leiding van Sjoerd Wiarda uit Goutum voor Oostergo en Haring Harinxma thoe Heeg voor Westergo.

1398 - Als hertog Albrecht van Beieren bloedig wraak heeft genomen over een eerdere afval van de Friezen, en hij weliswaar niet heel Friesland, maar dan toch wel de Zuidwesthoek weer stevig in handen lijkt te hebben, is Ziwaert Wyaert onder de Vetkoperse heren, die Albrecht als heer van Friesland aanvaarden en huldigen

De beloning van de Vetkopers voor de medewerking, die zij de hertog verleend hebben, blijft niet uit. Zo wordt op 8 april 1399 Syvaert Wyaerda (Sjoerd Wiarda) beleend met "die ambocht heerscap ende dagelixe gherecht van Wardum mit sinen toebehoren" de lage jurisdictie dus over waarschijnlijk Wirdum in Leeuwarderadeel, wat Zuid van Goutum ligt.

Van Schierings-Fries standpunt uit is Sjoerd Wiarda in deze tijden een lelijke collaborateur, die het land aan de Hollandse erfvijand uitlevert; men moet intussen wel bedenken, dat de Schierings inmiddels bondgenoten vinden in de zeeroversbende van de Likedelers!

Deze vrede ging als volgt te werk: De Friezen moesten Willem van Oosterwoud hun land als leen geven en zich daarna officieel aan de zijde van de Vetkopers scharen. Daar de positie van Graaf Albrecht in de winter van 1399 op 1400 zeer verzwakt was, maakte hij gebruik van zijn voormalige vijanden, de Schieringer Likedelers (zeerovers) en verleende hen amnestie. Een aantal edelen, waaronder Siurt Wiarda, liepen over naar de Schieringers.

1400 – Wiarda vocht waarschijnlijk mee als Schieringer in de slag om Dokkum en om de Cammingha stins. Nadat de Friezen de Hollanders hebben verjaagd en na de dood van Albrecht van Beijeren worden Wiarda en Haring Harixma (Mannen van hooge Gaven en Deugden”) in 1403/1404 als Potestaten (leger aanvoeders) van Friesland benoemd.

Dit was een ambt dat de bezitter voor enige tijd met grote macht bekleedde en door de Friezen aan een persoon werd opgedragen om bij dringend gevaar 's lands belangen te behartigen.

Bronnen:

GERBENZON, Prof. Dr. P., "Sjoerd Wiarda c. 1400", Wiarda 1369-1969, 20-25 , A.J. Osinga , Bolsward, 1970
Wikipedia, "Sjoerd Wiarda", Wikipedia website
⮛ Lees meer ⮛

Tsjomme Wiarda

(14..-1473)

Het bekendste lid der middeleeuwse familie Wiarda is zonder twijfel Tzomme Wyarda (Tsjomme Wiarda) geweest. Hij was de zoon van Oene Wyarda, die in 1428 en 1438 als Grietman van Leeuwarderadeel wordt vermeld en komt zelf de eerste maal voor in een transportakte van 20 December 1449 (Sipma I 67 n° 108). In 1451 en 1457 trad hij op als medearbiter in geschillen tussen respectievelijk twee groepen edelen, bij één van welke zich de stad Leeuwarden had gevoegd en de prior en convent van Bergum c.a. de geestelijken en inwoners van Tietjerk en op 7 Oktober 1456 was hij één der Friese gezanten te Gouda bij hertog Philips van Bourgondië, die toen dreigde Friesland aan te vallen. In 1465 bezegelde hij mede een vidimus en op 9 December 1466 werd zijn naam genoemd in een verbondsbrief tussen delen en steden van Westergo. In 1470 tenslotte vertegenwoordigde hij met andere afgevaardigden de Friezen opnieuw bij Hertog Karel de Stoute - te Enkhuizen. De Genealogia Ayttana, een overzicht van Viglius van Ayttas bloedverwanten, noemt hem (vertaald) iemand, die in zijn tijd een man was met veel invloed en gezag ("vir magnae potentiae et authoritatis"). Volgens dezelfde bron stierf hij in 1473 en zijn vrouw At Bonninga in 1471, erfden de Eminga's zijn goederen te Goutum en elders en werden beiden begraven in het Franciscaner klooster Galilea ten Oosten van de (Dokkumer) Ee buiten Leeuwarden, dat later inclusief de graven voor de veiligheid binnen de wallen van Leeuwarden werd overgebracht. Viglius, die een paar regels tevoren had vermeld dat de Bonninga’s familie waren van Feicko Sickinga, wiens schoonzoon Renicus (Rienk) Bokema het klooster Thabor bij Sneek had gesticht, zwijgt over de oorsprong van het klooster Galilea, dat volgens latere auteurs in het voetspoor van Winsemius (ed. 1622. p. 285) door Tzomme zou zijn gesticht. Eekhoff laat hem zelfs in 1462 het klooster aan de Groendijk buiten Sneek stichten voor de Franciscaner tertiarissen, welk feit zonder stichtersnaam door Worp van Thabor op 1463 was gesteld. Ik laat Eekhoffs mededeling verder voor diens rekening en wil voor de juiste toedracht van wat er gebeurd was met de Leeuwarder kloosters verwijzen naar de in 1951 daarover verschenen studie van P. Beda Verbeek, waar Wyarda en diens vrouw als stichters eveneens werden geschrapt. Twee schenkingen zijn echter wel degelijk op zijn naam te stellen. Het reeds genoemde stuk uit 1449, een transportacte voor hem zelf van het Smeyngha goed te Birstens (Birstum ten Noorden van Akkrum, Utingeradeel) is bewaard gebleven met de charters van het franciscaner tertiarissenklooster te Aalsum (ten Noordenvan Dokkum), waaraan hij het schonk. Wanneer dat laatste plaats vond, is niet overgeleverd. Mogelijk hangt de reeks wel bewaard gebleven kwijtingen en renunciaties van dit en het bijbehorend Amkema goed, waarvan het oudste van 3 Maart 1464 (Sipma 1/109 n° 171) er mee samen. Daar de zusters van Aalsum zelf pas genoemd worden in een akte van afstand, die Tzommes neef Tzallinck Pibazoen Wierda 22 September 1474 afgaf, mede uit naam van zijn broeder Doecke, schijnen zij in elk geval pas na Tzommes dood in het bezit van het goed te zijn geraakt. De andere, eveneens onbetwistbare schenking vond plaats op 28 Februari 1472. Nadat hij op 26 Juli 1471 als executeur testamentair van iemand uit Oosterwierum land had overgedragen aan het H. Sacramentsgilde te Leeuwarden, dat daar met de zorg voor de huiszittende armen was belast, schonk hij nu zelf aan deze broederschap het Syurdismagoed te Lekkum. Het legaat werd echter belast met de uitkering van een aantal legaten, in de eerste plaats aan de Barrevoetbroeders, d.w.z. de Franciscaner Obser vanten te Galilea, die twee Rijnsgulden per jaar kregen voor een zielemis op Vrijdag voor St. Michaelsdag voor zijn vrouw (als dat haar sterfdag in 1471 mocht zijn geweest, valt die op 27 September te stellen), na zijn eigen dood voor een gelijk doel met een zelfde bedrag te verdubbelen. Behalve de armen te Goutum en het klooster Genaert (Genezareth onder Hallum van de Cistercienzerinnen) werden ook de Franciscaner tertiarissen van Fiswerd bij Leeuwarden bedacht op voorwaarde dat deze laatsten tot de strengere leefregels zouden overgaan. Tzomme blijkt goed op de hoogte te zijn geweest van de toenmalige verhoudingen en problemen bij de Franciscaners. Het verbod om met geld om te gaan bij de Observanten, die Galilea bevolkten, omzeilde hij door te bepalen, dat de (2 x 2) Rijnsguldens moesten worden uitgekeerd in spijs en drank. Het H . Sacramentsgilde werd in 1478 tevens belast met de zorg voor het toen krachtens een al ouder testament tot stand komende St. Jacobs. gasthuis, waarmee het al in de volgende eeuw (voor 1534) overging naar het oude St. Anthonygasthuis te Leeuwarden. Toen dit in 1865 de plaatsingsmogelijkheid voor bejaarden vergrootte door de stichting van een tweede gebouw, bestaande uit een hoofdgebouw en vier loodrecht daarop staande vleugels, besloot de voogdij de laatste te noemen naar vroegere weldoeners van het gasthuis en daar die van het H. Sacramentsgilde door de genoemde overgangen mede als weldoeners van "Sint Antoon" werden beschouwd, werd aan de vierde en meest Oostelijke vleugel de naam Wiarda vleugel gegeven. De dwarsvleugels dragen de namen en wapens van historische weldoeners: Burmania, Minnema, Auckema en Wiarda. Deze, steeds door mannen bewoonde afdeling, werd in het kader van de modernisering in de jaren 1965-1967 geheel vernieuwd. Het eerste jaar kwamen de boven gelegen kamers in de "Wiardaflat" gereed, in 1966 volgde de Wiarda vleugel met de daaraan gelegen dienst vertrekken, aan het eind waarvan een geheel nieuwe hal werd gebouwd en in 1967 werd het complex vermeerderd met een nieuwe fraaie recreatiezaal. Anno 2020 kunt U dit fraaie complex nog steeds bewonderen

Bronnen:

Sipma I, "79 no. 126 en 93 no. 148",
S. A. Gaubema, "De Historie van Friesland", Gouda 1703, p. 59
Sipma 11, "236 no. 217",
Sipma II, "90 no. 87",
Worp van Thabor, "Friesch Gen.", 11/116
P. Hoynck van Papendrecht, Analecta Belgica J, Hagae Comitis 1743, "p. 275",
Sipma 1/165, "Hij was in elk geval 18 Mei 1474 dood, no. 247",
H W. Eekhoff, "Geschiedkundige beschrijving van Leeuwarden I (1846) p. 98",
P. Beda Verbeek, "Oud en Nieuw Galilea. De kloosters der minderbroeders in Leeuwarden", Joure 1951 (Frisi. Catholica XIV)
Sipma 1/169, "no. 254",
Sipma 1/145, "no. 222",
R. Visscher, "De archieven van het St. Anthony Gasthuis (1921) p. 262, regest 42",
Sipma 1/145, "no. 222",
VAN LENNEP, M. J, "Tzomme Wyarda en de Wiardagang in het nieuw st Anthony Gasthuis te Leeuwarden", S. WIARDA (ed.), Wiarda 1369-1969, Bolsward, A.J. Osinga NV, 1970, 26-30
Website Historisch Centrum Leeuwarden, "Sint Anthony Gasthuis", Website
Sint Anthony Gasthuis, "Gasthuis", Website
⮛ Lees meer ⮛

Bucho Wiarda

(1532-1595)

Onze kennis over hem is fragmentarisch. Hij leefde tenslotte in een onrustige tijd die hem vanwege zijn geloof uit zijn voorouderlijk huis dreef. In zulke turbulente tijden is er vaak een gebrek aan documentatie. We weten ook niets over hoe hij er uit zag. Want hoewel we nog steeds afbeeldingen hebben van de zoon van Bucho, de kanselier Dothias Wiarda, moet volgens de experts de eerder aan hem toegeschreven foto een latere Bucho Wiarda voorstellen. Het is daarom niet verwonderlijk dat zijn geboortejaar controversieel was. Er is een manuscript uit het begin van de 18e eeuw met betrekking tot de genealogieën van een aantal Oost-Friese families, waarin het manuscript rapporteert onder "Korte Genealogie der Wiarda" dat Bucho zijn geboortejaar 1536 is . Volgens de familie tabellen van Knyphausens, was Bucho Wiarda geboren in 1530. Het jaar 1532, dat historicus Tileman Dothias Wiarda op basis van oude familiepapieren heeft vastgesteld, is waarschijnlijk meer correct. Zijn vaderlijke afkomst is nog controversiëler. De Haan Hettema probeerde deze vraag op te lossen, maar dat lukte niet omdat Tileman D. Wiarda een Dothias in zijn genealogie had aangegeven als de vader van Bucho. Dit bleek later een fout te zijn, want men kwam tot de conclusie dat Bucho de onwettige zoon van de priester Doytse Wiarda was. Ze schreven: " Zie hier den eenigen Doytse, aan wien een zoon Bucho kunnen toekennen ". Tileman Dothias Wiarda was nog niet op de hoogte van de genealogie geschreven door Viglius van Aytta zelf, die is afgedrukt in het boek van Hoynck van Papendrecht "Vita Viglii ab Aytta".

Volgens dit boek en met de kennis van vandaag, lijken de ouders van Bucho Wiarda Boko Wiarda en Rema Tyepma te zijn, zoals vastgelegd door Hans von Wiarda in het Duitse Geslachtsboek. Deze Boko was de de zoon van Dothias Wiarda, die stierf in Barrahuis in 1498, en van Minthia van Aytta. Dit wordt ook aangegeven door de namen die Bucho Wiarda aan zijn zonen gaf: Onnius (vernoemd naar de broer van Dothias die stierf in 1498), Dothias (nadat Dothias stierf in 1498) en Viglius (naar de neef van Minthia van Aytta, Viglius van Aytta). Dus Bucho zou een halfbroer zijn van Jorrit Bock Wiarda, die meerdere keren wordt genoemd als de eigenaar van Tjerksma State. Bucho Wiarda studeerde in Groningen (zie Joannes Huninga Oostwoldanus, oratio funebris Groningen 1616). In deze oratio wordt Bucho uitdrukkelijk genoemd met zijn zonen Dothias (de latere kanselier) en Ennius (de latere professor juris Dr. Onnius Wiarda). Volgens de familiebladen beschreef Bucho Wiarda zichzelf als een licentiaat van rechten voor brieven en inzendingen, terwijl Aggäus Albada in zijn brieven van Gabbema over Magister Bucho Wiarda spreekt. Hij trouwde met Aalke Hoitets, dochter van lntet Hoitets, burgemeester van Bolsward. Hij bekeerde zich al vroeg tot het gereformeerde geloof, terwijl zijn familieleden vasthielden aan het katholieke geloof. Toen hertog Alba dreigde binnen te vallen in Nederland, zochten veel gereformeerden hun redding in Oost-Friesland en verschillende stadstaten. Alleen al in 1567 zouden dit gaan om ruim 350 huishoudens (zie: de Vrije Fries V. p. 403). Gabbema geeft een illustratief rapport in "Verhael van Leeuwarden" p. 494: " Dies krielde de Eems en Weser Strooms van Schepen, gestmot vol banen Vlugtlingen, die na Emden en Bremen, daar de gezuiverde Godsdienst bloeide, en zy in vort mogden leven werden ". Onder de vluchtelingenfamilies vinden we de namen van oude Friese geslachten, zoals de Wingene, de Pollere, Haringa, etc., die in Oost-Friesland bloeiende gezinnen stichtten , waaruit belangrijke mannen en vrouwen voortkwamen. Heinrich von Wiarda beschrijft in zijn aantekeningen het grote schilderij in het Aurich-huis van de historicus Tileman Dothias Wiarda " Auszug der Familie de Pottere ". Dit schilderij is gemaakt door de Nederlandse schilder Ruisdale en is afgebeeld in "De Groenevelds" in 1958. Dit schilderij komt in bezit van Tileman Dothias door het huwelijk met zijn vrouw, Teelke Susanna de Pottere, een dochter van Helene Maria van Wingene. Op het schilderij zie je de vluchtkoets met het wapen van de Pottere. Net als de de Pottere hadden ook de andere families, waaronder die van de Bucho Wiarda, grote vermogens opgebouwd. Daarom was hij in staat om zijn drie zonen te laten studeren en hen ook op langere reizen te laten gaan. Een registratie in Marburg uit 1579 toont aan dat Bucho Wiarda, die Frisius Licentiatus juris was, waarschijnlijk in Marburg was ter gelegenheid van de toelating van zijn zoon Dothias aan de universiteit. Men kan aannemen dat Bucho, voordat hij Nederland verliet, zijn land aan zijn familieleden heeft verkocht. Dit wordt ondersteund door een brief van de Vries van het Rijksarchief in Leeuwarden "In 1585 schrijft het wezen van Pybe Aedesz. Wyaerda en Cathryn Kempodr. 300, - goud guldens schuldig te zijn aan Mr. Bucho Wyaerda. Ze bezan dan een derde van een boerderij onder Bolsward. Hebben zij die uit het erfgoed van zijn vrouw, afkomstig uit Bolsward gekocht van Bucho bij zijn vertrek naar Duitsland,? "

Maar wat zijn al die opgeslagen bezittingen waard in een dergelijke situatie! Het lot van emigranten is hard, scheiding van familieleden en vrienden, onthechting van het thuisland, dit alles wordt beschreven in bewaard gebleven brieven. In een brief van 8 oktober 1584 bedankte Bucho Wiarda zijn "goeden vrunt" Ackema voor de geruststellende woorden die hij in " deze bedroofte starvenstijd " had geschreven. Bucho Wiarda verbleef aanvankelijk in Bremen. Het spreekt voor zijn reputatie dat hij al snel belangrijke mannen leerde kennen, zoals de graaf Holsteinraad en de beheerder van de kathedraal Dr. jur. Tileman Zernemann, die in 1594 de schoonvader werd van zijn zoon Dothias, de latere kanselier van Oost-Friesland. De correspondentie met de beroemde juridische geleerde Aggäus van Albada en het raadslid Rembertus Ackema hielp hem ook gedurende slechte tijden. Een brief van de Albada aan Ackema op 25 september 1583, gedrukt door Gabbema p. 767, laat zien dat Aggäus van Albada de zoon van Bucho Wiarda aannam als zijn familie vanwege familie verwandschap en om vriendschapsredenen (ob amicitiam et affinitatem) . Het ging hier om Ennius Wiarda (ook wel Onnius genoemd). De verbinding tussen Albada en Ennius Wiarda duurde niet lang omdat Albada stierf in augustus 1584 . Ennius werd professor juris in Erfurt in 1585 reeds op 22-jarige leeftijd.

Bucho's vrouw Aalke lijkt zich te hebben aangepast aan het leven van een vluchteling . Zij moet een zorgzame vrouw en moeder zijn geweest. Dit wordt geconcludeerd uit de toon waarmee Bucho spreekt in zijn brieven over zijn "huys frau". Het echtpaar had 4 zonen en 2 dochters. Alle zonen hebben gerespecteerde posities in het leven bereikt. Van bijzonder belang voor ons is de kanselier Dothias Wiarda, van wie de Duitse Wiarda van vandaag rechtstreeks afstammen. De dochter Regina was echtgenote van Dr. Arnold Creisser , werkzaam bij de raad van Brunswick en Nassau, de dochter Fouka trouwde met wethouder Schmidt uit Groningen. Bucho Wiarda stierf in 1595. Bremen wordt als de plaats van overlijden genoemd. Maar dit is waarschijnlijk niet waar, omdat er meer geloofwaardige informatie op wijst dat hij stierf op de door hem aangekochte aristocratische Heerd zu Bingum (Rheiderland) waar hij was gaan wonen. Deze Heerd”, ook bekend als Veste Bingum, was nog steeds eigendom van Wiarda ten tijde van de historicus Tileman Dothias Wiarda (1746-1826) en werd later verërfd aan de Freiherr von Rheden, een kleinzoon van Gerhard Bucho Wiarda. We kunnen bijna zeker aannemen dat hij zijn laatste dagen ver van zijn directe vaderland doorbracht, maar gelukkig nog steeds in het Friese land en daar tevreden kon zijn over het professionele succes van zijn zonen en schoonzonen. Zes jaar later stierf zijn vrouw in Emden, waar ze woonde met haar zoon Dothias Wiarda, die toen advocaat was van de stad Emden.

Bronnen:

WIARDA, Siegfried, "Bucho Wiarda, stamvader van de Duitse Wiarda", S. WIARDA (ed.), Wiarda 1369-1969, Bolsward, A.J. Osinga NV, 1970, 31-34
Wikipedia: Fresheneesz, "The Low Countries", Wikipedia website
⮛ Lees meer ⮛

Dothias Wiarda

(1565-1637)

Dothias Wiarda was kanselier in Oost-Friesland vanaf 1611.

Wiarda studeerde aan de Universiteit van Basel, waar hij in rechten promoveerde in 1592. In 1595 werd hij de eerste syndicus (een soort van jurist of pensionaris) van de stad Emden tijdens de revolutie tegen Graaf Enno III(1595 toen de gereformeerden de macht overnamen). Op 29 september 1601 liep hij over naar de kant van Graaf Enno III en werd raadslid. Johannes Althusius volgde hem op als syndicus van de stad Emden. In 1611 werd Wiarda benoemd tot kanselier als opvolger van Thomas Franzius. Hij woonde in een appartement in het Weinhaus in Aurich en hield daar kantoor tot zijn dood in 1637. Graaf Ulrich II benoemde vervolgens Arnold von Bobart (1585–1653) als kanselier van Oost-Friesland in 1637.

(* 1565 in West Lauwer Friesland; † 20 februari 1637 in Sandhorst) was kanselier (regeringsleider) in Oost-Friesland vanaf 1611)

Bronnen:

Wikipedia, "Dothias Wiarda", Wikipedia website
⮛ Lees meer ⮛

Tilemann Dothias Wiarda

(1746-1826)

Tileman of Tilemann Dothias Wiarda was een Oost-Friese historicus en eerste secretaris van het Oost-Friese Landschap (een bestuursorgaan wat uit de provincies Leer, Wittmund, Aurich en de stad Emden bestond wat gelijk stond aan het District Oost Friesland).

Hij komt uit een oude West-Friese familie. Zijn vader was Georg Ludwig Wiarda (geboren op 26 januari 1711, † 3 mei 1781), eerste secretaris van het Landschap. Zijn moeder was Anna Elisabeth Loesing (1716-1773). De twee waren sinds 1745 getrouwd.

Leven

Kort na zijn geboorte verhuisde Tileman Dothias Wiarda met zijn ouders in 1749 naar Aurich. Daar ging hij naar het Gymnasium Ulricianum. In april 1765 studeerde hij rechten aan de Universiteit van Duisburg. In september 1766 verhuisde hij naar de Universiteit van Halle. In 1768 keerde hij terug naar Aurich en werd Auscultator (stagiair) bij de Oost-Friese regering. Vervolgens werd hij advocaat bij de stads- en districtsrechtbank in maart 1770. Op 1 januari 1781 werd hij benoemd in de adjunct-raad van de regering, maar in mei verhuisde hij naar de Oost-Friese Landschap om de opvolger van zijn vader te worden. Wiarda had toen al een goede reputatie opgebouwd.

1789 - Een deputatie van vier personen, waaronder Tileman Dothias Wiarda, werd naar Berlijn gestuurd om verschillende belangrijke (nationale) conflicten op te lossen en werd ontvangen door koning Friedrich Wilhelm van Pruisen. Uit de dank uitingen nadien blijkt duidelijk in hoeverre Oost-Friesland tevreden was met het resultaat van de onderhandelingen.

1808 - Op verzoek van de koning van Holland reisde begin januari een Oost-Friese deputatie (de deputatie bestond uit leden van de regering, kamer en het Landschap) waaronder Tileman Dothias Wiarda, naar de rechtbank in Utrecht. De deputatie werd drie keer in het openbaar ontvangen (op audiëntie) .

In de jaren die volgden, was Wiarda zeer productief in het schrijven en werkte zich een weg door talloze documenten en bestanden die voor hem beschikbaar waren. Zijn literatuur is niet erg opwindend, maar zeer nauwgezet en droog. Hij was echter niet de enige chroniqueur, de pastoor Johann Dietrich Funk had eerder al aan Oost-Friese Kronieken gewerkt.

Met de nederlaag van Pruisen in de slag om Jena en Auerstedt, eindigde de Pruisische periode in 1806. Oost-Friesland werd aanvankelijk bij het Napoleontische Hollandse Koninkrijk gevoegd maar vervolgens geplaatst onder het Eerste Franse Keizersrijk (departement Ems-Oriental) . Met Napoleon kwamen er nieuwe wetten binnen en de oude structuren werden ontbonden. Wiarda werd in 1808 nog steeds verkozen tot hoofd van het Landschap. Toen er personeel nodig was voor de nieuwe structuren, besloot hij zich te registreren en werd daardoor onderdeel van de Franse bestuursraad. Napoleon werd in 1813 verslagen en Oost Friesland viel weer onder Pruisen. Na het Congres van Wenen in 1815 ging het over naar het Koninkrijk van Hannover. Hiermee werd de landschapsstructuur opnieuw geldig en werd Wiarda hersteld als eerste secretaris van het Landschap, hij bleef dit tot zijn dood. Hij wilde zijn ervaringen opschrijven in andere boeken over de Oost-Friese geschiedenis en probeerde zoveel mogelijk te publiceren. Hij schreef tot op hoge leeftijd en stierf op 7 maart 1826.

De schrijver

Als de secretaris van een instelling zo oud als het Oost-Friese Landschap en als een advocaat in een land met een oude jurisdictie (een jurisdictie die anders was dan de Pruisische wetten). Een jurisdictie die zelfs in het Oud-Fries was geschreven, destijds een taal die niet meer werd gesproken, was het waarschijnlijk door deze omgeving, dat Wiarda de aanzet kreeg om de Oost Friese geschiedenis op te gaan schrijven.

Zijn eerste boek was Von den Landtagen der Friesen in den mittlern Zeiten bey Upstalsboom, gepubliceerd in 1777. Dat hij een boek over de Oud-Friese taal schreef, is gemakkelijk te begrijpen in zijn context. Zijn belangrijkste werk is zonder twijfel De Oost-Friese geschiedenis in negen delen (later uitgebreid). De betekenis ervan kan alleen worden vergeleken met het werk van Ubbo Emmius (1547–1625). Zijn werk werd met zoveel applaus ontvangen dat de provincies zich gedwongen voelden om Wiarda een geldbedrag te schenken voor zijn werk, Wiarda weigerde dit vervolgens (waarschijnlijk om zijn onafhankelijkheid te behouden).

Hij was lid van een aantal wetenschappelijke verenigingen uit zijn tijd:

1778 Pro excolendo iure patrio (Groningen)

1808 Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (Amsterdam)

1817 Academie van Wetenschappen in Göttingen [3]

In 1817 kende de rechtenfaculteit van de Universiteit van Kiel hem een ​​eredoctoraat voor rechten toe.

Werken

1777, Von den Landtagen der Friesen in den mittlern Zeiten bey Upstalsboom

1784, Geschichte der ausgestorbenen alten friesischen oder sächsischen Sprache

1786, Alt friesisches Wörterbuch

1800, Ueber deutsche Vornamen und Geschlechtsnamen

1800, Stammtafeln einiger ostfriesischen Hauptlinge, zur Erläuterung der Geschichte

1805, Asega-Buch: ein alt-friesisches Gesetzbuch der Rüstringer

1808, Geschichte und Auslegung des Salischen Gesetzes und der Malbergischen Glossen

1820, Willküren der Brockmänner, eines freyen friesischen Volkes

Fragmenten uit de geschiedenis en topografie van de stad Aurich tot 1813, samengesteld uit zijn nalatenschap en zijn gepubliceerde delen over de Oost-Friese geschiedenis::

Tot 1441, deel 1, (1791)

1441 - 1540, deel 2, (1792)

1540 - 1611, deel 3, (1793)

1611 - 1648, deel 4, (1794)

1648 - 1668, deel 5, (1795)

1668 - 1714, deel 6, (1796)

1714 - 1734, deel 7, (1797)

1734 - 1758, deel 8, (1798)

1758 - 1786, deel 9, (1798)

Bijlage (1818)

Gedeeltelijk ook beschreven met volume 10, volume 11, volume 12:

1817, laatste Oost-Friese geschiedenis 1786-1806

1817, laatste Oost-Friese geschiedenis 1806-1813

Bronnen:

Wikipedia (nl), "Tilemann Dothias Wiarda", Wikipedia website
Wikipedia (de), "Tilemann Dothias Wiarda", Wikipedia website
⮛ Lees meer ⮛

Adam Forster

(1848-1928)

Adam Forster werd geboren rond augustus 1850 als Carl August Wiarda in een Pruisische familie, met landgoederen in Oost-Pruisen. Hij groeide op in Emden, waar zijn advocaatvader rechter en senator was. Volgens de traditie werd de jonge Carl naar de Militaire School gestuurd, studeerde geneeskunde, werd officier in de elite Pruisische Garde en won het IJzeren Kruis, eerste klasse, tijdens de Frans-Pruisische oorlog. Maar hij werd ziek van de slachting en vernietiging die hij zag en bedroefd door de treurige toestand van vluchtelingen, vooral tijdens de invasie van Parijs. Kort daarna gaf hij zijn commissie op en emigreerde hij naar Zuid-Afrika.

Hij had een talent voor cijfers en ging in zaken in de Kaap provincie . Hier voelde hij zich aangetrokken tot een ander soort figuur en trouwde met de dochter van de eerste burgemeester van Port Elizabeth, de mooie 19-jarige Mary Emma Smith. Na het uitbreken van de Eerste Boerenoorlog in Zuid Afrika besefte hij dat hij voor zijn gezin een beter en stabieler leven kon leiden in Australië.

Hij liet Mary en hun drie kinderen achter totdat hij zich kon vestigen in Australie, hij zeilde op de beroemde Cutty Sark en besloot onderweg zijn Duitse naam Carl August v. Wiarda te veranderen in Adam Forster, om een ​​meer acceptabele en Angelsaksische identiteit in de Britse kolonie te creëren. Bij aankomst in Sydney had hij het eerst zwaar, slapend onder kranten totdat hij opnieuw kansen vond.

In 1897 werd hij benoemd tot griffier van de farmaceutische raad, een ambt dat hij 23 jaar tot zijn pensionering bekleedde. Ook was hij een fanatiek lid van de Farmaceutische Vereniging waar hij actief was bij de introductie van nieuwe veiligheidsmaatregelen tegen vergif en gevaarlijke medicijnen, bijvoorbeeld geribbelde flessen die iedereen in het donker door hen betasten weet dat de inhoud potentieel gevaarlijk was. Hij was vloeiend in zeven talen en was lid van de Duitse club van Sydney, maar thuis werd alleen maar Engels gesproken en hij werd hij een ingeburgerde Australiër. Hij handhaafde echter de Duitse traditie van het versieren van de kerstboom voor de kinderen met peperkoekmannen (die hij speciaal uit Duitsland haalde).

Adam Forster was een voornaam ogende man met een fijne vloeiende snor, en zijn zachte, hoffelijke aard, jeugdig enthousiasme, gelukkige karakter en intelligentie maakten hem aimabel en kreeg hij veel vrienden. Zij omvatten Billy Hughes, later premier; Ernest Wunderlich, fabrikant van tegels en gestempelde metalen plafonds; en de natuuronderzoeker en pionier natuurbeschermer David George Stead, vader van de romanschrijver Christina Stead.

David Stead, in 1909 de medeoprichter van de Wild Life Preservation Society, wilde jonge Australiërs opleiden en hun liefde voor de natuur stimuleren. Hij zag de noodzaak in van een handboek met Australische wilde bloemen en suggereerde aan George Robertson van Angus en Robertson dat Adam Forster de ideale illustrator zou zijn.

Forster had artistiek talent geërfd van zijn vader, een volleerd portretschilder. Maar het was zijn interesse in de flora van zijn geadopteerde land, zo verschillend van die van Europa en Zuid-Afrika, die hem ertoe bracht dat talent te ontwikkelen. Hij stelde zichzelf als doel om duizend Australische wilde bloemen in al hun diversiteit en schoonheid af te beelden, en werkte ijverig in zijn vrije tijd om zijn doel te bereiken. In het weekend reisde hij met de tram en de trein, vergezeld door zijn vrouw of een van zijn dochters, op zoek naar exemplaren van Ashfield tot de Botanic Gardens, Dee Why en andere delen van Sydney waar het bushland al lang geleden is gekapt en verder weg naar Goulburn en de Shoalhaven. De meer delicate bloemen schilderde hij ter plekke terwijl de mindere delicate bloemen nam hij mee naar huis.

Hij was lid van de New South Wales Naturalists 'Society en terwijl hij zijn werk af en toe in Sydney tentoonstelde, verspreidde zijn vaardigheid en botanische nauwkeurigheid. Al snel stuurden natuuronderzoekers uit West-Australië hem exemplaren, elke stengel zorgvuldig ingebed in een halve aardappel en verpakt in vochtige watten. Forster aanvaardde de opdracht van George Robertson om een ​​tekst te illustreren die was geschreven door Edwin Cheel, overheids botanist van New South Wales, en leverde miniatuurschilderijen die in batches waren gekopieerd naar Angus en Robertson. Kort na het voltooien van 248 afbeeldingen voor het boek in 1928, kreeg hij een hartaanval en stierf. Rond dezelfde tijd stierf ook George Robertson zodat het project werd opgeschort.

Bijna 10 jaar later ontdekte George Ferguson, de kleinzoon van Robertson, de blokken en het manuscript in de kluis van het bedrijf. Hij was ook gemotiveerd over het publiceren van Australisch materiaal en raadpleegde Stead. Tegen die tijd stond hij in een langdurige relatie met docent en milieuadvocaat Thistle Harris en bewonderde hij haar kennis en expertise als botanicus. Hij adviseerde Angus en Robertson haar mening over het materiaal te vragen.

Harris vond de tekst te academisch voor de algemene lezer, die minder technische informatie nodig had. Ze stemde ermee in om meer leesvriendelijke notities te schrijven, maar besloot later dat studenten iets extra's nodig hadden en compileerden een uitgebreide botanische sleutel. Alles voor de gierige som van £ 15. Volgens haar biograaf, Joan Webb, had Harris het mondelinge aanbod verkeerd begrepen en dacht dat ze £ 50 had geaccepteerd! De aan Forster betaalde vergoeding is niet bekend.

Maar er wachtten meer problemen. Net als Ellis Rowan en andere bloemschilders had Forster enkele exemplaren tegen een gekleurde achtergrond afgebeeld om ze beter te laten zien. Hoewel de uitgever een botanisch arrangement wilde en Harris er een had voorbereid, was dit niet haalbaar voor drukdoeleinden. De illustraties en bijbehorende tekst moesten dus worden gereorganiseerd om ze te groeperen op basis van achtergronden, wat resulteerde in esthetisch aantrekkelijke pagina's, maar niet in de gewenste botanische volgorde. Zelfs in latere edities, toen afdruktechnieken het mogelijk maakten de achtergronden te blokkeren, bleef het oorspronkelijke arrangement behouden. Forster had ten tijde van zijn dood 918 schilderijen voltooid. De meeste zijn voornamelijk afkomstig van planten die aan de oostkust groeien, waaronder enkele van de bekendste en meest geliefde bloemen van Australië, zoals gouden lel (wattle), het nationale embleem en de knappe waratah, het embleem van de staat New South Wales. Maar ook andere staatsemblemen, zoals de opvallende kangoeroepoot en de schitterende Sturt-woestijnerwt, behoorden tot zijn onderwerpen, evenals vele minder bekende en onopvallende soorten die alleen werden opgemerkt door scherpe waarnemers. Zijn beelden zijn uiterst nauwkeurig en elegant samengesteld. Volgens zijn kleindochter, Danise Johnson, kwamen botanici hem soms zien werken ook om zijn levensechte aquarellen te bewonderen. Toen hij eenmaal de kamer had verlaten, keerde hij terug en zag hij dat een van hen proberde de bloem met zijn vingernagel van het papier te tillen, vermoedend dat deze was ingedrukt.

Adam Forster leefde niet om zijn werk in boekvorm te zien. In Wild Flowers of Australia bracht Thistle Harris een welverdiend eerbetoon aan zijn passie.

'In zijn enthousiasme deed hij oneindig veel moeite om zijn verzameling zo breed mogelijk te maken, en maakte daartoe vele lange en zware bush-trektochten. Ik herinner me hem, in zijn latere jaren, zo mannelijk en actief als een schooljongen, die over rotsachtige afgronden klauterde, zijn weg door dicht struikgewas drong en kilometers ver liep zonder duidelijke vermoeidheid. En zijn grote vreugde toen hij eindelijk een nieuwe of lang gezochte plant ontdekte. Met oneindig veel zorg zou de schat worden opgeborgen voor transport; of, als het te kwetsbaar was, ging hij zitten, met weinig aandacht voor zijn persoonlijke gerief, en maakte hij het schilderij ter plaatse, vervuld van de vreugde om de plant weer op zijn papier te laten bloeien '.

Er was veel belangstelling voor het verwerven van Forsters magnum opus, en de Duitse regering bood hem een ​​groot bedrag aan voor de verzameling. Maar het was de uitdrukkelijke wens van Forster dat het Australië niet zou verlaten. In 1949 respecteerde zijn familie zijn wens om zijn schilderijen aan het Australische volk te geven en vonden zij een thuis in de Nationale Bibliotheek, Canberra, die nu het auteursrecht bezit. Tegenwoordig maken ze deel uit van de rijke Pictures Collection van de bibliotheek en zijn ze te zien geweest in een grote tentoonstelling van botanische verkenningen en illustraties in Australië, naast de werken van Ferdinand Bauer en Sydney Parkinson. Ze zijn ook gereproduceerd op inpakpapier en brief kaarten zodat iedereen er van kan genieten.

Bronnen:

Australian National Botanic Gardens, "Adam Forster biography", ANBG website
Wikipedia (en), "Adam Forster", Wikipedia website
⮛ Lees meer ⮛

Edzard von Wiarda

(1900-1995)

Edzard von Wiarda en de oprichting van de familievereniging Wiarda

Edzard von Wiarda werd geboren op 9 oktober 1900. Nadat hij op 17-jarige leeftijd was afgestudeerd aan de middelbare school, werd hij in de Eerste Wereldoorlog opgenomen in het 1ste Hannover Infanterie Regiment. Omdat hij Frans sprak, werd hij gebruikt als koerier tussen Duitsland en Frankrijk. Na de oorlog studeerde hij elektrotechniek, een onderwerp dat pas was geïntroduceerd. Edzard is zijn hele professionele leven zeer succesvol geweest in de stroomvoorzienings zaken.

Vanaf 1960 zette Edzard het genealogische werk voort dat reeds door zijn vader Hans was voorbereid. Hij volgde de afzonderlijke takken van de familie in Nederland en Duitsland en verzamelde talloze adressen. In 1965 riep hij in Neuenhausen de eerste familiedag bijeen samen met Siegfried Wiarda. Daar werd de familie vereniging Wiarda opgericht en werd Edzard gekozen als de eerste voorzitter, wat hij 24 jaar is gebleven.

Om de 2 jaar een grote familie bijeenkomst en regelmatig samenkomen van takoudsten, afwisselend in Nederland en Duitsland, deze bijeenkomsten werden voorbereid en geleid door Edzard. Hij richtte het jaarlijkse tijdschrift , de Wiarda Mededelingen op en publiceerde 14 nummers zelf. Hij schreef meer dan één genealogische bijdrage voor elk nummer, waarmee hij een belangrijke link legde tussen de familieleden. Het maken en bewerken van de uitgebreide namenlijsten was zijn werk, hiervan profiteren we vandaag nog steeds!

In 1970, op de 600ste verjaardag van de familie (1369-1969), publiceerde Siegfried Wiarda een Wiarda-boek (300 pagina's) samen met Edzard, dit boek bevatte tal van genealogische artikelen en illustraties in het Nederlands en Duits. Het Wiarda Boek werd door jarenlange donaties gefinancierd.

Op een kleine heuvel in Goutum stond de Wiarda-State vanaf ongeveer 1400, waarvan onze voorvader, Sjoerd Wiarda, had geopereerd. De overgrootvader van Edzard, Christian Heinrich Wiarda, bezocht Wiarda State met zijn zoon Tileman in 1873, die helaas werd afgebroken in 1882. Edzard wilde hier al lang een Wiarda-gedenkteken maken. In 1980 gaf de familievereniging de architect Tido Wiarda uit Apeldoorn de opdracht om een kubus op een stele te maken (gelijkend op een stamboom) . De stele bevat het jaar 1369, het jaar waarin Sjoerd Wiarda voor het eerst werd vermeld in de schriftelijke bronnen. De grote kubus in lichtsteen draagt ​​het Wiarda-wapen en een inscriptie in vier talen: Fries, Nederlands, Duits en Engels. Het monument werd uitsluitend gefinancierd uit schenkingen van familieleden. Het monument werd tijdens een grote ceremonie overgedragen aan de gemeente Leeuwarden.

Edzard was in staat om de lijn van zijn voorouders ver terug te volgen met behulp van grote portretfoto's. De oudste zijn op hout geschilderd. Veel van deze portretten gingen tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren. De Russen gebruikten de oudste afbeeldingen die op hout waren geschilderd als brandhout. Vandaag zijn er nog 20 voorouderlijke schilderijen over en die zijn in het bezit van zijn kleindochter Minthia von Wiarda, 13 schilderijen hangen in het huis van zijn zoon Siurt.

Na de Tweede Wereldoorlog moest Edzard zijn leven opbouwen vanaf niets . Hij werd vanaf 1960 actief lid van de Lions Club en was samen met zijn vrouw betrokken bij vele sociale projecten, zelfs toen beide ouder waren dan 90 jaar ,

Tot de dood van Edzard in de leeftijd van 95, schreef hij nog veel genealogische werken voor de familie.

Auteur: Siurt v. Wiarda, 2019

⮛ Lees meer ⮛

Gerard Johannes Wiarda

(1906-1988)

Gerardus Johannes Wiarda (Amsterdam, 4 september 1906 – Den Haag, 12 juni 1988) was een Nederlands jurist. Hij specialiseerde zich in het administratief recht. Zijn publicaties hadden een civielrechtelijke invalshoek en ze gingen over het snijvlak tussen het publiek en privaatrecht. Ook trok hij vaak parallellen met het burgerlijk recht.

In 1938 promoveerde Wiarda bij prof. mr. Paul Scholten cum laude op het proefschrift Overeenkomsten met Overheden, waarin hij enkele gedachten ontvouwde die later bijdroegen aan de ontwikkeling van het bestuursrecht in Nederland en ook voor de ontwikkeling van publiek-private samenwerkingsverbanden.

Na een korte carrière als rechter (waar hij onder meer rechter-commissaris was in de strafzaak tegen de meestervervalser Han van Meegeren, die hij in zijn cel een namaak-Vermeer liet schilderen) werd hij in 1948 benoemd tot hoogleraar Administratief Recht aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Zijn loopbaan als hoogleraar zou maar kort duren.

In 1950 werd hij, als 44-jarige, benoemd tot raadsheer in de Hoge Raad der Nederlanden waar na de Tweede Wereldoorlog vacatures openvielen. Tijdens zijn loopbaan bij de Hoge Raad was hij actief als bestuurder, onder meer van de Stichting Custodia te Parijs (nauw verwant aan het Institut Néerlandais). Hij schreef artikelen in allerhande libres amicora en juridische tijdschriften. Zo schreef hij in 1962 een essay over drie typen van rechtsvinding, dat later - zelfstandig uitgegeven - tientallen jaren tot de standaardliteratuur van alle Nederlandse rechtenstudenten zou behoren.

Gerard Wiarda was betrokken bij de hervorming van de bestuursrechtspraak in Nederland. Van 1973 tot 1976 was Wiarda president van de Hoge Raad der Nederlanden. Na zijn pensionering werd hij eerst echt actief bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, waarin hij reeds enige jaren de Nederlandse vertegenwoordiger was geweest en waarvan hij tot 1987 president zou blijven. Bij zijn afscheid als President van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontving hij het Grootkruis in de Orde van Oranje-Nassau.

Geboren in Dordrecht, als zoon van een rechter, ging Gerard Wiarda in 1924 rechten studeren aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam. Zijn twee jaar jongere broer Jan Wiarda volgde hem twee jaar later in die studie. In 1932 huwde hij Sandra Moltzer (1908 - 2009), dochter van een remonstrants predikant tevens jurist, die later betrokken was bij de ontwikkeling van armoedebestrijding en de sociale beweging. Zij hadden vier kinderen.

In 1938 promoveerde Wiarda, onder leiding van hoogleraar Paul Scholten, cum laude op een proefschrift Overeenkomsten met Overheden, waarin hij enkele gedachten ontvouwde die later bijdroegen aan de ontwikkeling van het bestuursrecht in Nederland en ook voor de ontwikkeling van publiek-private samenwerkingsverbanden.

Hij bezat sinds 1961 een boerderijtje in het Woold bij Winterswijk. Hij verordonneerde dat in zijn rouwadvertenties geen van zijn onderscheidingen mochten worden vermeld.

Bronnen:

Niels Wiarda,
Wikipedia (nl), "Gerard Wiarda", Wikipedia website
⮛ Lees meer ⮛

Jan Wiarda

(1909-1993)

Recht is een wonderlijk iets; dat bekruipt mij bij alles wat ik erover lees, en dat mij nimmer loslaat… Adio, vale en als steeds
- w.g. Vader

[slotzin uit een brief van Jan aan zijn zoon-advocaat, 19 april 1988]

Hoe zou Vader Jan zélf [let op het accentteken, hij was dol op dergelijke hulptekens, om tekst de gewenste nadruk te geven] zijn begonnen met een beschrijving van zijn eigen leven, geheel afgezien van het feit dat hij het als volstrekt hypothetisch zou vinden iets autobiografisch aan het papier toe te vertrouwen… Waarschijnlijk niet bij zijn geboorte, maar bij die van een van zijn voorvaderen in de derde, vierde, vijfde generatie. En met vermelding van jaartallen, woonplaatsen, opleiding, huwelijkspartner[s] en beroepen. Volledigheid met voetnoten tot in den treure van de lezer, maar: er moest en zou een compleet beeld worden geschetst van het onderwerp, of het nu ging over familieaangelegenheden in alle eeuwen —zie zijn bijdragen aan het familieboek WIARDA 1369-1969 [A]— of in zijn talloze juridische publicaties.

Wees niet bang, ik zal mij beperken. Dat zou Jan zelf, achteraf beschouwd, hebben toegejuicht, denk ik…

JANS JEUGD

Jan Wiarda -IV – werd op 5 maart 1909 in Dordrecht geboren, waar zijn Vader – Jan III [1870-1946] - toen rechter was. Een paar jaar later verhuisde het gezin, verder bestaande uit moeder Louise Lucks [Bielefeld [D] 1876 - Amsterdam 1931] en broer Gerardus Johannes [1906 – 1988] naar Amsterdam, waar de broers Gerard en Jan het Barlaeus Gymnasium bezochten en beiden rechten studeerden. Die studie wees voor Jan geenszins in de richting van een grote wetenschappelijke loopbaan, als hij jááren later zelf schrijft:

Mijn mondelinge candidaatsexamen werd met twintig minuten verlengd [verlengd examen”, dat ik , terugdenkend aan wat mijzelf was overkomen hier in Groningen bij enkele mondelinge doctoraalexamens heb toegepast]: en nóg hoor ik het iudicium bij mijn doctoraal: De faculteit heeft besloten u toch maar door te laten. [B]

Ook na hun studie liepen de levens van de broers nog enige tijd deels parallel: naast Gerards’ werkkring in een juridische functie bij de Belastingdienst Amsterdam en die van Jan als assistent van hun bewonderde leermeester Prof. Mr. Paul Scholten, werkten zij ieder aan hun proefschrift onder leiding van hun promotor —u raadt het al— Paul Scholten.

In gedachten zie ik de beide broers op hun [ex-]studentenkamer in het ouderlijk huis temidden van boeken, oude collegedictaten en notities met aantekeningen studeren op hun onderwerp, afgewisseld met tochten naar de universiteitsbibliotheek. Jan:

ik torste vele mij toevertrouwde foliouitgaven Cujacius en Donellus … per tram, lijn 2, naar huis, Koninginneweg 130 (boven)… [B]

In 1937 promoveerde Jan op het onderwerp Cessie of overdracht van schuldvorderingen op naam naar Nederlands Burgerlijk Recht, een boek dat als de Cessie van Wiarda decennia lang werd geciteerd als het allesomvattende werk over het onderwerp. [B]

Gerard plantte in 1939 het zaadje voor zijn belangstelling voor de juridische aspecten van de private en publieke verhouding tussen Overheid en Burger, waarvan hij veelal in zijn publicaties en werkzaamheden blijk zou geven, met de dissertatie Overeenkomsten met overheidslichamen [D]. Het latere in meer dan alleen juridische kring fameuze begrip: Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, heeft hij als eerste gemunt.

Jan is vervolgens zijn gehele werkzame leven van 1946 tot 1979 hoogleraar gebleven aan de Rijksuniversiteit Groningen. De gebruikelijke aanspreektitel professor heeft hij zelf steeds vermeden en hij ontmoedigde studenten en anderen hem zo aan te spreken. 
Gerard werd na een aantal functies in de rechterlijke macht en een hoogleraarschap in Utrecht, lid en later President van de Hoge Raad en President van het Europese Hof voor de rechten van de mens in Straatsburg [E].

In 1940 trouwde Jan met Lucie ter Braak uit Eibergen, later dan in hun bedoeling had gelegen: in 1931 was moeder Wiarda overleden. Een half jaar later trouwde zijn broer met Alexandra Moltzer en verliet Gerard het ouderlijk huis in Amsterdam. Beiden waren dol op hun moeder. Jan, toen 22 jaar, kon het niet over zijn hart verkrijgen, kort na haar overlijden, zijn vader in het grote huis alleen te laten.

Vele jaren later vertelde vader hoeveel verdriet hij heeft gehad van moeders overlijden, doch dat hij zich er geheel mee had verzoend en eigenlijk blij was, dat zijn moede, als Duitse, de verschrikkingen van het nazisme in al zijn uitingen niet had hoeven mee te maken.

Gerard en Sandra kregen vier kinderen: Louise [1933], Clara [Claar, voor haar Oom Jan, 1934] Elise [1937] en Just [1944]. 
Jan en Lucie werden gezegend met vier zoons: Jan [1941-1993], Willem [1943], Gerard [1944] en Sjoerd [1947]. 
Nadere familiegegevens van deze twee generaties staan in het grote Wiarda- boek, blz. 282/283, nrs. XVIh en XVIj en die van de kinderen en kleinkinderen in de Wiarda-boekjes, Tak/Sippe 7/05 – 7/21b.

GEZINSLEVEN

Het Wiarda-familieleven was aanvankelijk zeer overzichtelijk: twee broers met echtgenotes en hun tweemaal vier kinderen. Bestonden er nog meer andere Wiarda’s? Niet dat we wisten…

Met hoogtijdagen in het hoge noorden wrong Gerard zijn lange lichaam in een heuse Citroën 2CV, om vanuit Den Haag Groningse feestdagen bij te wonen. Jan zweerde bij de trein, eenvoudig omdat hij nooit autorijden had geleerd. Bij moeder Lucie bleef dit beperkt tot het nemen van rijlessen in haar jeugd in Eibergen, waar zij het rijbewijs ontving nadat zij erin was geslaagd zonder deuken rondom de Hervormde Kerk tegenover haar ouderlijk huis te rijden. Daarna heeft zij nooit meer aan het stuur gedraaid…

Dit huis aan de Groote Straat was met Pasen en in de zomervakantie de vaste vakantiebestemming voor het Groningse gezin. In zijn oude dagen heeft vader zich wel laten ontvallen dat die twee weken voor hem steeds de meest spanningverwekkende van het jaar waren, bang als hij was dat het vierspan zonen van kleuter tot puberleeftijd teveel de rust van zijn bejaarde schoonouders zou verstoren.

Was dit een van de redenen dat Jan elke zomer met een of twee van hen naar het Duitse Münster en Bielefeld spoorde om aldaar twee zusters van zijn moeder -zijn enige directe verwanten van moederskant - te bezoeken, die [ook] in Bielefeld waren geboren? Voor de kinderen was de reis een feestje: van Tante Auguste kregen zij elke keer een - in de periode van bestedingsbeperking in Nederland, midden jaren ’50 - bijzonder cadeau naar keuze: een leren voetbal, een échte Mont Blanc vulpen, zelfs een originele Lederhose. En de dagelijkse Kaffee und Kuchen bij Tante Theodore was zó uitbundig , dat die door de zoons steevast na presentatie van de zoveelste taartpunt werd besloten met een Ich bin satt. Hun eerste Duitse woordjes, met onderdrukt gegrinnik uitgesproken, omdat de letterlijke vertaling in hun eigen taal geen Algemeen Beschaafd Nederlands was en thuis dus uit den boze…

INTOCHT DER WIARDA

En toen verscheen begin jaren ’60 Onkel Siegfried uit Neuenhaus, die in archieven all over the world wonende Wiarda’s had gevonden– van Australië tot Amerika. Op zijn voorstel werd de Familievereniging Wiarda opgericht. Ook werd besloten tot uitgave van een boek over het wel en wee van het geslacht Wiarda vanaf 1369, het jaar waarin voor het eerst de naam Wiarda in een officiële Oorkonde werd vermeld. 
[Tussen haakjes: deze vermelding was overigens eerder aan een onrechtmatige daad dan aan een heldhaftig optreden van onze oudste voorouders te danken: in een vonnis van 30 april 1369 oordeelden de Grietmannen van het district Winninge dat Wiarda’s lieden zonder aanleiding een aantal Friese burgers had gevangen genomen en dat dezen in vrijheid dienden te worden gesteld.]

Er werd een bestuur geformeerd, met Duitse en Nederlandse familieleden. Siegfried nam de productie en redactie van het boek Wiarda 1369-1969 ter hand. Vele familieleden leverden een bijdrage. In het boek werd een stamboom opgenomen, waarin het persoonsregister van alle Wiarda’s in hapklare hoofdstukken —Takken/Sippen— was verdeeld en deden de Takoudsten/Sippenältesten hun intree.

De rest is geschiedenis: het boek verscheen in 1969 bij de viering van het 600-jarig bestaan van het geslacht in Leeuwarden. En de familie gingmet de tijd mee: in 2019, bij de herdenking van het 650-jarig bestaan in Goutum, werd besloten tot het ontwerpen van website, waarin u nu zit te lezen…

DE PROFESSIE

Terug naar het eigenlijke onderwerp. De professionele dag sinds 1946 begon veelal met een rit per fiets van het huis in Helpman, toen een buitenwijk van Groningen, naar het gebouw van de Rijksuniversiteit Groningen aan het Academieplein in het centrum van de stad, waar de collegezalen waren. Gezien de brede leeropdracht —Burgerlijk recht, Handelsrecht Internationaal Privaatrecht en, later, Burgerlijk Procesrecht— was het geven van college een regelmatige bezigheid:

Doordat Wiarda zich door zijn eigen welsprekendheid liet meeslepen, wisten de studenten soms niet naar welk van de vele door hem gegeven vakken zij op dat moment zaten te luisteren. [F]

Naar verluidt kwam het regelmatig voor dat Jan bij een volgend college de toehoorders vroeg waarover hij de vorige keer had gesproken…

Uniek in den lande was het Procedeercollege, dat Jan organiseerde: een bijeenkomst, waarbij door het hele collegejaar heen een mede door de studenten bedachte casus, een rechtsgeschil, door henzelf in de collegezaal werd behandeld en beslist, waarbij iedere student een eigen rol had als rechter, griffier, deurwaarder, getuige, partij, advocaaten zo voort.

Nadat in de loop van het jaar de schriftelijke processtukken waren gewisseld en de pleidooien gehouden, deed de studentenrechtbank vlak voor het begin van de academische vakantie uitspraak…in de tuin van ons ouderlijk huis in Helpman, onder het genot van bier en wijn en door moeder zelfgebakken kaaskoekjes [G]. Als hoogtepunt [?] verscheen aan het slot van het feest Jan op het balkon en zong liederen van zijn geliefde Zweedse componist Carl Michael Bellman, zichzelf begeleidend op zijn twaalfsnarige luit. Bij vele familiebezoeken in zijn jeugdaan Zweden had hij de beginselen van die taal geleerd. 
Tot op de dag van vandaag kom ik oud-studenten van vader tegen —zelf ben ik ook jurist, dat helpt— en een van de eerste herinneringen, die zij dan ophalen, is het tuinfeest aan de Verlengde Heereweg.

Naast het doceren heeft Jan vele wetenschappelijke publicaties op zijn naam staan. Het valt buiten het kader van dit artikel daarover uitvoeriger te schrijven. Eén uitzondering voor zijn magnum opus [1247 bladzijden]: in 1957 verscheen zijn bewerking van een deel uit de zogenoemde Asser serie, een verzameling handboeken over verschillende rechtsgebieden: Het Personen- en Familierecht.

Zoals later werd opgemerkt: De omvang van dit Asserdeel…groeide uit tot buiten gebruikelijke proporties, maar het werd door iedere advocaat geraadpleegd omdat alles erin stond. [F] Ook hier zal het uitvoerige notenapparaat mede debet aan geweest zijn.

Waar haalde Jan dat alles vandaan? Zijn eigen bibliotheek was omvangrijk. In de ouderwetse diepe muurkasten op zijn studeerkamer dienden aan de achterkant tientallen vooroorlogse lege spanen sigarenkistjes,gespaard van zíjn vader [met afbeeldingen van Centraal Station, Rijksmuseum e.d.], als opstapje voor een rij boeken, zodat deze zichtbaar bleven, achter de vóórste rij boeken. Een ongekend technisch inzicht van de man, die er niet voor schroomde de timmerman te vragen thuis een schroef in de muur te komen draaien om een schilderij op te hangen…

Daarnaast was de Universiteitsbibliotheek een schier onuitputtelijke bron van boeken en geschriften, die toch écht geraadpleegd dienden te worden voor een artikel [volledigheid, weet je wel]. Bij karrevrachten werden de boeken geleend en omdat een kar/car niet tot het huisraad behoorde, werd alles achterop de fiets meegezeuld. Om daags voor de grote schoolvakantie en na ettelijke aanmaningen van de UB dat de uitleentermijn reeds lang was verstreken, in koffers per taxi en met een spijtme-taart voor de medewerkers teruggebracht te worden.

Het schrijversleven van Jan stond in toenemende mate in het teken van zijn innerlijke overtuiging en levenshouding, verwoord door onder meer de veelvuldig door hem geciteerde Romeinse rechtsgeleerden Justinianus en Ulpianus , in het ius est ars aequi et boni en het honestumvivere, neminem laedere et suum cuique tribuere. [het recht is de kunst van het eerlijke en het goede, eerbaar leven, een ander niet kwetsen en ieder het zijne geven.] oftewel: honest leven, redelijkheid en billijkheid.

De keuze van het onderwerp van zijn hierboven genoemde proefschrift -de Cessie – wijst daar nog niet op. Als verklaring mag gelden dat dit onderwerp hem door zijn promotor Scholten was gesuggereerd, omdat - in diens woorden, in Jans’ herinnering - de Kamer [van het Gerechtshof Amsterdam; ww]van je Vader daaroveronlangs een arrest heeft gewezen dat door de HR is vernietigd, zoek jij dat nu maar eens uit. [B]

Evenmin de in 1950 verschenen bewerking van een deel van Polak’s handboek voor handels- en faillissementsrecht, het Wissel en Chequerecht. Dit was immers een onderwerp met een uitgesproken zakelijk karakter. Jan had de uitnodiging van de weduwe van de bewerker van de vorige druk, zijn door hem bewonderde en jong overleden leermeester F.G. Scheltema [1891-1939], en diens broer en collega in Groningen H.J. Scheltema niet willen weigeren…

In de intreerede bij de Rijksuniversiteit Groningen in 1947 over Aard en betekenis van rechtsbeginselen, inzonderheid de beginselen van goede trouwen billijkheid in ons positieve recht, komen zijn gedachten over recht en moraal wel duidelijk tot uiting, die hij later in verschillende publicatie heeft uitgewerkt, zeer uitvoerig in zijn prorectorale rede in 1963 Mercatura Honesta, over de samenhang tussen handelsrecht en handelsmoraal [H]. Daarin wordt veelvuldig verwezen naar de 16e -eeuwse theoloog Dirk Volkertsz Coornhert, de verdraagzame humanist, zowel door rooms-katholieken als door doopsgezinden verketterd [op zichzelf al een reden om Jans’ waardering te ontvangen], die mag gelden als belangrijke leidsman in zijn rechtsfilosofisch denken. Zoals Jan het verwoordde in een interview in 1991[J]:

Deugdzaam en rechtvaardig leven, wellevenskunst, een van de mooiste geboden, maar de mensen kennen het niet meer. Ze weten niet meer wie Coornhert is, de apostel van de verdraagzaamheid en schrijver van het schitterende "Zedekunst dat is Wellevenskunste".

De juridische belangstelling van Jan verschoof zo gelijkelijk van het ik , het materiele, vermogensrechtelijke –het zakenrecht is zo’n hebberigrecht, zei hij eens [G] — naar het immateriële wij, de persoon, de gemeenschap, de broederschap. Alle mensen zijn je broeders, ik heb het jarenlang meegezongen onder Mengelberg in het Amsterdamse Toonkunstkoor. Dat geldt ook voor de grootste misdadigers. Vertel mij maar eens wat recht is. Je moet er namelijk goed begrip voor hebben dat mensen zo ongelofelijk gecompliceerd in elkaar zitten. [J]

Jan noemde zijn moeder, die hem met het Alle Menschen werden Brüder had gevormd, en: Ik ben ook vrijzinnig, remonstrant, dus denk niet volgens bepaalde lijnen. [G]

Met als constante in zijn doen en denken het honeste vivere en de redelijkheid en billijkheid waren die lijnen bij zijn eerdere publicaties over rechtsvorderingen en het handelsrecht nog minder uitgesproken - zakelijk verkeer vereist nu eenmaal een duidelijk juridisch kader [maar wat is duidelijk?, hoor ik hem zeggen] - in het familierecht kan de speelruimte voor de onderlinge menselijke verhoudingen een grotere rol spelen. Ook daar kan het echter niet uitdraaien op een volledig Vrijheid, Blijheid, zijn levensmotto, dat Jan te pas en soms te onpas met name de gezinsleden voorhield.

Dezelfde constanten en motto sluiten geheel aan bij de beginselverklaring van de Remonstrantse Broederschap, die de eredienst aan Onze Lieve Heer—er staat God, maar die benaming vond Jan te afstandelijk en gebruikte hij niet - plaatst getrouw aan haar beginsel van vrijheid en verdraagzaamheid. Van huis uit aldus opgevoed, is hij zijn hele leven trouw en actief lid van dit kerkgenootschap gebleven.

De groeiende belangstelling van Jan voor de meer immateriële juridische gebieden wordt hierdoor eens te meer duidelijk, zoals het genoemde handboek over het Personen- en Familierecht uit 1957 aantoont. Daarin wordt onder meer het civiele jeugdrecht vanaf het ontstaan in de klassieke oudheid grondig behandeld.

Het wekte dan ook geen verbazing dat Jan in 1965 werd benoemd tot voorzitter van de Regeringscommissie Jeugdrecht, die een ingrijpende wijziging van het hele systeem van jeugdrecht en jeugdbescherming voorbereidde. Vele aanbevelingen en adviezen van de commissie in haar rapport Jeugdbescherming srecht [1971] over onder meer, adoptie, ouderrechten en de positie van stiefkinderen hebben geleid tot wettelijke regelingen, waarvan de bekendste is de - pas in 1988, ambtelijke molens nietwaar - ingevoerdeWet tot verlaging van de meerderjarigheidsleeftijd van 21 tot 18 jaar.

In 1979 kwam een einde aan zijn universitaire bestaan. In een brief van 5 november 1979 aan de ruim vijftig, die mij schreven mijn afscheidscollege dinsdag 18 september 1979 niet te kunnen , of te hebben kunnen, bijwonen, schreef hij:

Onderwerp van het college was: RECHT. BROEDERSCHAP. GEMEENSCHAP. NAASTENLIEFDE TROUW. En de strekking daarvan, dat wij minder moeten denken in termen van recht”; en méér in termen van broederschap, gemeenschap, naastenliefde, trouw”(daargelaten de vraag of tussen deze begrippen kan en mag worden onderscheiden!). Daarbij bracht ik in herinnering een en ander uit de ontwikkeling 1909-1979 van wetgeving en rechtspraak
en, het optreden van het orkest DE HARMONIE memorerend…daarvóór zoon Gerard met zijn dirigeerstokje; mij aanziende met een blik en houding, die ik nooit zal vergeten.

Kortom, over alles wat hem in zijn persoonlijke en professionele leven net meest na aan het hart lag. 
Het was een ware"happening”die uren duurde en die hij, zoals hij wel meer deed, afsloot met het zingen van enige oud-hollandse en Zweedse liederen terwijl hij zichzelf op de luit begeleidde. [H]

Ook na zijn emeritaat bleef Jan de 7 vaktijdschriften, waarop hij geabonneerd bleef, lezen, almede de handboeken doch alleen voor zoverre betreft die delen van het recht, welke mijn bijzondere belangstelling hebben. Eveneens bleef hij publiceren, met name in vriendenbundels voor collegae in den lande die jubileerden of afscheid namen. [K]

Herinnert u zich nog de sigarenkistjes in de boekenkasten op zijn kamer? Na zijn overlijden in 1993 was het de vraag wat met die duizenden boeken en geschriften - waaronder zijn éigen collegedictaten als student én als hoogleraar - aan te vangen… Het was een Godsent dat de Groninger Universiteitsbibliotheek aanbood de hele collectie te inventariseren. Met een drietons-vrachtwagen werd alles naar de bibliotheek vervoerd. Twee jaar later nodigde de UB ons uit het resultaat van de inventarisatie te komen bekijken: op de bekende boekenstellingen stond alles keurig gerubriceerd en gecatalogiseerd uitgestald…240 strekkende meter… De bibliothecaris vertelde dat er bij de boeken 70 titels waren , die niet in het bezit waren van de UB zelf.  
De familie heeft de gelegenheid gekregen uit te zoeken welke werken zij zelf wilde behouden en heeft vervolgens de gehele boekerij aan de UB geschonken.

LEVEN NAAST HET RECHT

Naast het wetenschappelijke leven was er tijd voor maatschappelijke activiteiten. Zo bezocht hij als voorzitter van de Groningse tak van kinderbeschermingsvereniging Pro Juventute regelmatig pupillen in gezinsvervangende instellingen in het hele land. Gedurende vakanties soms vergezeld van een zoon, leeftijdsgenoot van hen, om het contact makkelijker te maken.

Ook was Jan jarenlang lid van de Onderwijsraad Wetenschappelijke Onderwijs, een adviescollege van de regering…

En in zijn vrije tijd? Muziek en Wandelen.

In Groningen kon Jan zijn liefde voor het zingen voortzetten, waarmee hij in Amsterdam in het Amsterdamse Toonkunstkoor onder Willem Mengelberg was begonnen: jarenlang elke maandag repeteren in Toonkunstkoor Bekker, een breed repertoire van Jeanne d’Arc au Bûcher van Honegger tot, natuurlijk, de Mattheüs Passion. Deze laatste met, deels successievelijk, de vier zonen in het jongenskoor, zolang de baard hen uit de keel bleef…
Bij elke familiefeest een zelfgemaakt lied op een oud-Duitse [Boerlala, Jan Hinnirk] of Zweedse melodie, met luit!

Wandelen en fietsen op de Waddeneilanden. Later, toen elk strand en duinpannetje was bezocht, alle vuurtorens beklommen en de laatste zelf geplakte vlieger het had begeven, in de Oostenrijkse Alpen, vaste bestemming in de zomervakantie.

Niet te vergeten de jaarlijkse Appèlbergen-wandeling met “zijn” studenten door het naburige natuurgebied met die naam. De zonen hebben dierbare herinnering aan de driedaagse wandeltochten in het Sauerland, die zij, elk afzonderlijk, met vader maakten in diens zeventiger jaren: acht uren per dag voortgaan naast je voortdurend neuriënde wandelgenoot, en dan een glas bier… Tenslotte: de jaarlijkse Oudejaarsmiddagwandelijng van vader met Jan, Willem, Gerard en Sjoerd: Essen om —het gehucht tussen Helpman en Haren— waar onderweg bij wijze van spreken het gehele jaar werd doorgeenomen, terwijl moeder in de thuis oliebollen bakte.

LEST BEST

Dit is, zoals gevraagd, een verhaal over mijn vader. Maar het is slechts de helft: het is niet volledig zonder het aandeel van mijn moeder, zijn echtgenote, die niet ten onrechte de moeder van de faculteit is genoemd [G]. Zonder haar zou Jan als een stuurloos schip door de golven in de oceanen van al die letters in boeken, brieven, brochures, bijdragen in feestbundels zijn gevaren, genietend van de, zíjn, schoonheid van juridisch gekleurde vergezichten en in de mist opdoemende bestemmingen. Maar zonder zich te bekommeren over de koers, windrichting, stand van de zeilen, foerage [ heb ik al een tweedekopje theegekregen?], en, bovenal, de onvoorwaardelijke steun van de werkelijke kapitein!

Een vanzelfsprekend liefdevol paar.

Moeder, die voor haar Jan een glazen kunstwerk graveerde met Vondels tekst:

Waar werd oprechter trouw 
dan tussen man en vrouw, 
ter wereld ooit gevonden…

En vader die elke Sinterklaasavond een chocoladeletter aan zijn Lucie schonk met de tekst:

De L-iefste letter, gij weet het wel, 
blijft voor mij de letter L!

-0-0-0-0-0-

Geschreven door Willem Wiarda, Broek in Waterland, 10 April 2020

Het portret van Jan Wiarda is in 2008 geschilderd door Dorine Kuiper uit Groningen en hangt in de Juridische Faculteitskamer van de Rijksuniversiteit Groningen.
Zie ook: www.rug.nl/museum/portrettengalerij

Bronnen:

[A] WIARDA 1369 – 1969, "Siegfried Wiarda", uitgeverij Osinga, 1969
[B] Ars Aequi, "juridisch studentenblad, nr 34 [1985] 12 [special “Op gezag van…”]",
[C] Jan Wiarda, "proefschrift Cessie of overdracht van schuldvorderingen op naam naar Nederlands Burgerlijk Recht, 15.01.1937",
[D] Overeenkomsten met overheidslichamen, "academisch proefschrift", Zwolle, 1939
[E] Tjeenk Willink, "Ex tunc ex nunc, bundel interviews met o.a. Gerardus Johannes Wiarda, W.E.J.", 1990
[F] Jan Lokin, "De Groningse faculteit der Rechtsgeleerdheid", uitgeverij Boom, 2019
[G] Terecht Gesteld ,Groninger juridisch fakulteitsblad, Wiarda nummer, "jaargang 14.1, 18.09.79",
[H] Mercatura Honesta, "prorectorale rede", 23.08.62
[J] UK, "universiteitskrant RuG", 11.04.1991
[K] Nederlands Juristenblad, "Nestor Speciaal", jaargang 65, 13.12.90
⮛ Lees meer ⮛

Yme Hendrik Wiarda

(1920-1993)

Yme werd geboren in Donkerbroek (Gemeente Ooststellingwerf) als oudste in een gezin van 4. Na de HBS succesvol te hebben afgerond ging Yme naar de Kweekschool voor de Zeevaart in Amsterdam. Indertijd was dat de vooropleiding die je moest volgen om piloot te worden. Dit was altijd de diepste wens van Yme geweest sinds zijn jeugd in Friesland. Hij was reeds actief in het zweefvliegen voordat hij naar Amsterdam verhuisde. Nadat de Duitse troepen Nederland waren binnengevallen en de Nederlandse troepen hadden gecapituleerd op 15 mei 1940 was Nederland bezet en werd de kweekschool voor de zeevaart gesloten. Hierdoor keerde Yme noodgedwongen terug naar Friesland alwaar hij cursussen in de elektrotechniek is gaan volgen om vervolgens een baan te zoeken. Die baan vond hij bij Philips in Eindhoven.

Aangezien Duitsland in de loop van de oorlog steeds meer arbeiders nodig had om de fabrieken draaiende te houden omdat de meeste Duitse mannen in het leger zaten, werd er actief arbeiders geronseld in de bezette landen, zo ook in Nederland. Yme wilde absoluut niet naar Duitsland en vlak voordat de beruchte SD (de Sicherheitsdienst) hem wilde arresteren dook hij onder. Vanuit zijn onderduikadres solliciteerde hij intern binnen Philips voor een functie in de werkplaats in Kamp Vught (het zgn. Philips Kommando), in het hol van de leeuw .

Kamp Vught was een concentratiekamp alwaar joodse Nederlanders naar toe moesten als eerste station voordat zij uiteindelijk op transport gingen naar de vernietigingskampen in Duitsland. Tevens werden er Nederlandse politieke gevangenen vastgehouden, waaronder ter dood veroordeelden vanwege verzetsdaden tegen de Duitsers . De Duitsers hadden in 1943 Philips gevraagd een werkplaats te vestigen binnen het prikkeldraad van Kamp Vught. Op dringend verzoek van Berlijn” moest er werk worden verschaft aan de gevangenen van Kamp Vught. Directeur Frits Philips ging onder voorwaarden akkoord. Deze voorwaarden waren dat Philips de leiding kreeg over de werkplaats, dat medewerkers van Philips vrij het kamp in en uit konden gaan en dat Philips bepaalde welk werk werd gedaan.

Yme redeneerde dat de Duitsers hem daar absoluut niet zouden gaan zoeken. Hij werd daardoor één van de Philips zivilisten : zij vormden een belangrijke schakel in het contact van werkers van het Philips-Kommando met de buitenwereld. Ze gaven berichten door die gevangenen niet in de officiële brieven konden schrijven of die niet zo lang konden wachten. Yme speelde daarbij een belangrijke rol. Via hem hoort bijv. een vader van de geboorte van zijn eerste zoon. Ook hielp hij actief de Joodse geïnterneerden binnen de Philips-werkplaats bijvoorbeeld als hij een soldeertest afnam bij Joodse meisjes. Doet het meisje de test niet goed, dan doet hij de test zelf opnieuw waardoor ze toch werd aangenomen, wat voor haar van levensbelang was anders ging ze direct op transport naar de vernietigingskampen in Duitsland.

Op zijn verjaardag op 25 augustus 1944 werd Yme binnen Kamp Vught gearresteerd door de SS nadat hij betrapt werd bij het uitwisselen van informatie aan een gevangene over zijn komende proces. Hij werd opgesloten in de beruchte ‘Bunker’, een gevangenis binnen Kamp Vught. Tot 6 september zat hij alleen in een cel, totaal afgezonderd van de buitenwereld, wachtend op de vele ondervragingen van de SD die hij moest ondergaan. In augustus 1944 werden er vrijwel iedere dag gevangenen uit de bunker gehaald door de SS en SD en zonder proces buiten het kamp geëxecuteerd.

Over deze periode heeft mijn vader een getuigenis afgelegd die is gearchiveerd bij het NIOD (Nederlands Instituut Oorlogs Documentatie) te Amsterdam . Hierin beschrijft hij nauwkeurig de omstandigheden in de bunker, zijn cel, het eten en de verhoren, die hij moest ondergaan.

Door de naderende geallieerde troepen sloegen de Duitsers rond Dolle Dinsdag 5 september 1944 op de vlucht en ontruimden zij het kamp. De resterende gevangenen werden op transport gesteld naar Duitsland en de volgende dag werd Yme vrijgelaten. Een paar weken later maakte hij op 19 oktober 1944 de bevrijding van Eindhoven en Vught mee. Snel daarna kon hij op uitnodiging van de Nederlandse regering zijn pilotenopleiding in Engeland voltooien bij de Royal Air Force. In januari 1945 startte hij in Bridgenorth met de opleiding tot Bomber piloot. Nog voordat hij als gevechtsvlieger de lucht in kan (juni 1945), is heel Nederland bevrijd en heeft Duitsland gecapituleerd .

Na het einde van de oorlog had de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij KLM een groot tekort aan piloten; Yme’s ambitie was altijd de burgerluchtvaart i.p.v. de militaire luchtvaart, zodoende kwam hij in dienst bij de KLM. Bij de KLM was hij meer dan 30 jaar in dienst tot aan zijn pensionering in 1976 . Tijdens zijn dienstverband had hij op vele toestellen gevlogen, schakelde hij over van vliegtuigen met propeller aandrijving naar straal motoren en stond hij aan de basis van De Vereniging van Nederlandse Verkeersvliegers in de strijd om erkenning bij de KLM directie. Ook was hij voor de KLM gestationeerd in het begin van zijn carrière in Nederlands Indië, Suriname en op de Nederlandse Antillen, begin jaren 60 was hij uitgeleend aan TAP Portugal en woonde hij met gezin in Estoril . Yme was 1 van de weinige piloten die meer dan 20000 vlieguren in de lucht heeft doorgebracht. Deze hoge aantallen worden tegenwoordig niet meer gehaald omdat de huidige vliegtuigen veel sneller zijn. Tijdens zijn carrière heeft hij onder meer gevlogen op de Tiger Moth (RAF trainings vliegtuig) en voor de KLM op de Super Conny (The Lockheed Constellation) en DC 7 , de laatste propeller vliegtuigen in dienst van de KLM. Daarna werd hij door intensive training gezagvoerder op de lange 8 (DC-8) om uiteindelijk zijn vlieg carrière te eindigen op de DC 10. Na zijn pensionering bij de KLM op relatief jonge leeftijd (56) heeft hij nog 2 jaar doorgevlogen op de DC 10 voor Martinair, een Nederlandse chartermaatschappij.

In 1953 was Yme in Amsterdam getrouwd met Nonny Amersbeek (1926-2012); samen hadden ze 3 kinderen en zijn ze eind jaren 50 verhuisd naar Bilthoven. Vanaf het begin was Yme betrokken bij de Wiarda vereniging. Na het onverwachte overlijden van Hijltje Wiarda in 1967 werd Yme voorzitter van de Nederlandse Wiarda Vereniging. Hierdoor was hij actief betrokken bij de geboorte van de vereniging , het Wiarda boek en de familie dagen. In 1989 nam Yme het voorzitterschap van de hele familievereniging over van Edzard von Wiarda en hij bleef dat tot zijn dood op 3 september 1993, toen hij op 73-jarige leeftijd overleed na een kort ziektbed.

Bronnen:

WIARDA, Tjalling, "Mijn trip naar het Joop Westerweel woud", Wiarda Mededelingen No 29, Oktober 2017, 8-17
⮛ Lees meer ⮛

Howard Wiarda

(1939-2015)

Geboren in Grosse Pointe, Mich., groeide hij op in Grand Rapids en behaalde zijn bachelor in geschiedenis en politieke wetenschappen aan de Universiteit van Michigan in 1961, waar hij redacteur was van de studentenkrant. Hij behaalde zijn doctoraat in de politieke wetenschappen aan de Universiteit van Florida in 1965.

Wiarda kwam rechtstreeks naar UMass Amherst na zijn afstuderen. Hij begon als universitair docent en steeg snel door tot een hoogleraar op 33-jarige leeftijd (een ononderbroken record voor de afdeling) en was een van de jongste hoogleraren in de geschiedenis van de universiteit. Terwijl hij hier was, was hij tevens hoofdredacteur. Hij was ook de directeur van het Centrum voor Latijns-Amerikaanse Studies en voorzitter van de Universitaire Raad voor Internationale Studies

Wiarda trad in het najaar van 1965 toe tot de afdeling politieke wetenschappen en ging in 2003 met pensioen om de oprichter te worden van de afdeling internationale zaken aan de Universiteit van Georgia en de Dean Rusk Professor van International Betrekkingen. Wiarda was een geleerde van wereldklasse en een belangrijke figuur in de studie van vergelijkend onderzoek in de politiek en het buitenlandse beleid.

,Hij was gastwetenschapper / onderzoeker aan het Centrum van Internationale Zaken van Harvard , waar hij leiding gaf aan de faculteit en seminar over vergelijkend onderzoek in de politiek leidde. Van 1981-87 was hij resident wetenschapper en oprichter van Centrum voor hemisferische studies wat onderdeel is van het Amerikaans Ondernemings Instituut voor Publiek beleids onderzoek in Washington.

Hij verdeelde zijn tijd tussen Washington, Cambridge en Amherst, en gaf regelmatig cursussen binnen de afdeling politieke wetenschappen voor afgestudeerden en (nog) niet afgestudeerden; ook leidde hij proefschriften . Hij diende als belangrijkste consultant (1983-84) bij de Nationale gemengde (Kissinger) Commissie voor Midden-Amerika en was ‘Thorton D. Hooper Fellow’ in Internationale Veiligheidszaken (1987-88) bij het Onderzoeksinstituut over Buitenlandse Zaken.

In 1992 werd hij senior medewerker van het Centrum van Strategische en Internationale Studies. In 2000 werd hij aangesteld als publieksrecht wetenschapper aan het Internationale Woodrow Wilson Centrum voor wetenschappers.

Hij werd door de President van de Verenigde Staten benoemd als lid van de presidentiële ‘Task Force’ die adviseerde op gebied van economische rechtvaardigheid. Hij was adviseur en consultant van vier presidenten en van verschillende particuliere stichtingen, bedrijven en agentschappen van de federale overheid, waaronder het ministerie van Defensie, de National Defense University” en het Centrum voor hemisferische studies.

Hij was lid van de Raad van Buitenlandse Betrekkingen in New York. In 1988 was hij lid van het adviesteam die Vice President H.W. Bush adviseerde over zijn buitenlandbeleid. In 2012 werd hij door president Leonel Fernández van de Dominicaanse Republiek, zijn voormalige student aan UMass Amherst, ingewijd in de Orde van Columbus voor een "levenslange dienst aan en het schrijven over de Dominicaanse Republiek."

Wiarda was de auteur en / of redacteur van meer dan 100 boeken en meer dan 300 wetenschappelijke artikelen, boekhoofdstukken, opinie stukken en getuigenissen van congressen. Onder zijn vele boeken zijn 'The Dominican Republic: Nation in Transition', 'Politics in Iberia: The Political Systems of Spain and Portugal', 'Corporatism and Comparative Politics', 'The Soul of Latin America' en Divided America on the World Stage: Broken Government and Foreign Policy.” Hij was ook coauteur en redacteur bij Harvey F. Kline (een voormalig lid van de afdeling politieke wetenschappen) van het toonaangevende leerboek 'Latin American Politics and Development', nu in zijn achtste editie).

Bronnen:

Umass, "Obituary: Howard J. Wiarda", Umass website , 15-09-2015
⮛ Lees meer ⮛

Jan Wiarda

(1940-2013)

Jan was een boerenzoon uit het Friese Wymbritseradeel. Hij ontleende aan die afkomst, behalve een levenslange passie voor paardrijden, eigenzinnigheid en de overtuiging dat mensen de ruimte nodig hebben om zelf vorm te kunnen geven aan hun leven.

In 2005 zei hij bij zijn afscheid als projectleider Politie van het Nederlandse EU-voorzitterschap in een paar woorden dat het zijn vader was geweest die hem die opvatting had bijgebracht.

Jan Wiarda was in 1959, achttien jaar oud, toegelaten tot het Rijksinstituut voor Opleiding van Hogere Politieambtenaren. Hij behoorde tot de tweede lichting die zonder militaire officiersdienst kon beginnen en daarom een verlengde opleiding kreeg, met overigens heel wat militaire componenten ter compensatie. De vijfentwintig jongens waren intern en merkten nog weinig van de beginnende welvaartsgroei en vrijwel niets van de eerste (op)roerigheid in de samenleving.

Maar toen zij na drie jaar als inspecteur in de korpsen belandden, ontdekten zij wél dat zij veel beter waren opgeleid dan hun directe superieuren. En wat later óók dat zij heel anders reageerden op de nieuwe jeugdcultuur van de jaren zestig. Die bewustwording was voor velen de kiem vaneen latere hervormingsdrang. Wiarda werd bij de gemeentepolitie Utrecht geplaatst. In 1979 verliet hij voor korte tijd de politie om hoofd van de veiligheidsdienst van de Nederlandse Middenstandsbank (NMB) te worden.

In 1982 werd hij gepolst voor de functie van hoofdcommissaris bij ‘zijn’ Utrechtse korps. De vertrouwenscommissie en vooral de Utrechtse burgemeester Lien Vos van Gortel wilden een vernieuwer en die kregen ze ook. Na zijn aantreden maakte Wiarda duidelijk dat het hem menens was door op alle vitale posities jonge, geestverwante collega’s te plaatsen. Wiarda toonde daadkracht, maar duidelijk was ook dat hij na de jaren bij de NMB meer ontspannen in het leven stond. Dat verschafte hem, hoewel hij jong was en een jeugdige uitstraling had, een soevereine houding die zijn medewerkers vertrouwen gaf. Hun identificatie met de nieuwe baas werd nog versterkt doordat Wiarda zich vanuit zijn betrokkenheid bij burgers op allerlei incidenten stortte en dan niet terugschrok als politieman gepeperde uitspraken te doen. Fameus is zijn begrip voor door overvallen geplaagde winkeliers die een honkbalknuppel onder de toonbank bewaarden.

Wiarda geldt als een uitgesproken leider. Bij de omvorming van de gemeentepolitie Utrecht tot een regionaal korps heeft hij zijn managerskwaliteiten bewezen. Hij ziet zichzelf als een 'Einzelganger'. Als ik het niet goed vind, dan zeg ik het ook. Als ze allemaal rechtsaf willen en ik denk dat het linksaf moet, dan is toch de grootste kans dat ik linksaf ga.”

In September 1997 vertrok hij naar het korps Haaglandenwaar hij korpschef bleef tot Augustus 2003 Hierna ging hij aan de slag om het politieprogramma van het Nederlandse EU-voorzitterschap voor te bereiden. Eindresultaat was het The Hague Program dat tot aan 2010 het Europese beleid voor politie en justitie heeft bepaald

Jan Wiarda was een bijzondere politieman in een bijzonder tijdsgewricht. Meer dan vormgever was hij inspirator en katalysator van de ingrijpende verandering en verbetering van de politie in de laatste vier decennia. Hij onderkende al vroeg dat de politie waarin hij werkzaam was, was gevlucht in routine en bureaucratie en zo haar maatschappelijke opgave ontliep. Die tendens te doorbreken was zijn tweede natuur: dat had hij van huis uit meegekregen, zo gaf hij leiding in de jaren zeventig en zo bestuurde hij later ook zijn korpsen. Het ging hem om burgers en hun problemen. Politie kon daar iets aan doen en mocht dat niet nalaten. Dat engagement met burgers maakte ook dat al zijn vaardigheden om leiding te geven door zijn medewerkers niet als een managementkunstje werden gezien, dat hij hen werkelijk in beweging kon krijgen.

Meer dan van het eigenlijke besturen genoot Wiarda van de reuring die hij zo teweegbracht. Voor een politie die zich graag in de eigen wereld opsluit, zijn dergelijke chefs onontbeerlijk.

Bronnen:

MEERSHOEK, Guus, "Jan Wiarda: geëngageerd, dwars en loyaal", Het Tijdschrift voor Politie , jaargang 75, Nr 3/13, 23-26, 2013
BOUMA, Joop & George MARLET, "Jan Wiarda weet wat hij wil, en daarom vonden ze hem lastig", Trouw Website , 22-08-1997
Provinciale Zeeuwse Courant, "N.N., Oud-Korpschef Wiarda overleden", Website , 07-02-2013
⮛ Lees meer ⮛